WELCOME TO KONE!

Are you interested in KONE as a corporate business or a career opportunity?

Corporate site

Would you like to find out more about the solutions available in your area, including the local contact information, on your respective KONE website?

Your suggested website is

United States

Ga naar website van land

Cookies

We gebruiken cookies om de functionaliteit van de site te optimaliseren en om u de best mogelijke ervaring te geven tijdens het surfen op onze site. Als u hiermee akkoord gaat en alle cookies accepteert, hoeft u alleen maar op de knop 'Accepteren' te klikken. U kan ook onze privacyverklaring bekijken.

Terug naar boven

Liftnormen EN 81-20 en EN 81-50

De Europese normen EN 81-20 en EN 81-50 voor het ontwerp en de productie van liften bieden aanzienlijke voordelen op het gebied van toegankelijkheid en veiligheid voor zowel passagiers als onderhoudstechniekers.

EN 81-20:2014 bevat herziene en bijgewerkte veiligheidsvereisten voor de constructie en installatie van liften, terwijl EN 81-50:2014 de test- en keuringsvereisten voor bepaalde liftonderdelen definieert.

EN 81-20 en EN 81-50 vervangen de EN 81-1 en EN 81-2 normen die in 1998 zijn geïntroduceerd en alle liften die na 31 augustus 2017 in gebruik zijn genomen, moeten hieraan voldoen.

Deze pagina geeft een overzicht van de belangrijkste wijzigingen in de veiligheidsvereisten die in de normen EN 81-20 en EN 81-50 zijn geïntroduceerd. Voor volledige informatie moeten klanten de officiële documenten van de normen raadplegen. Neem contact op met uw lokale KONE vertegenwoordiger voor meer informatie.

Veiligheidsverbeteringen voor passagiers

Eisen betreffende onbedoelde kooibewegingen en een te hoge snelheid van de liftkooi in opwaartse richting

De beveiligingseisen voor onbedoelde cabinebewegingen waarbij de liftkooi van de stopplaats vertrekt, zijn herzien. Ook de veiligheidseisen voor het voorkomen van een te hoge snelheid van de kooi in opwaartse richting zijn uitgebreid met reddingsacties. KONE beschikt al over liftoplossingen met standaardfuncties die onbedoelde kooibewegingen voorkomen door dagelijks automatisch de remkracht en -capaciteit van de hefmachine te testen. KONE liften bevatten ook standaardvoorzieningen die het risico van een ongecontroleerde opwaartse snelheid van de cabine voorkomen.

Afbeelding
Afbeelding

Detectiesystemen voor deuren

Om te voorkomen dat passagiers tijdens het betreden of verlaten van de liftkooi door de deuren worden geraakt, dienen liften volgens de nieuwe normen met een lichtgordijn te worden uitgerust. Dit is een contactloos detectiesysteem dat voorkomt dat de deuren sluiten wanneer er een obstakel in de deuropening wordt gedetecteerd. Een of twee fotocellen in de deur voldoen niet aan de nieuwe norm.

Vergrendelingssysteem van de kooideur

Liften dienen vanaf heden met een kooideurvergrendeling te worden uitgerust, zodat de deuren niet van binnenuit kunnen worden geopend als de kooi zich buiten de ontgrendelingszone bevindt - d.w.z. als de cabine niet in de nabijheid van de schachtdeuren is. Deze eis is ingevoerd om te voorkomen dat passagiers in de liftschacht vallen wanneer ze zichzelf uit een lift proberen te bevrijden die buiten de ontgrendelingszone is gestopt. KONE biedt dit type mechanisme voor al zijn liftoplossingen.

Afbeelding

Brandklasse van liftkooimaterialen

The requirements for the materials used for car floors, walls, and ceilings have been updated in the new EN 81-20:2014 standard. These materials must meet stricter fire classification requirements according to EN 13501-1. The minimum classifications are as follows, where C and Cfl refer to the ‘reaction to fire’ classification, and s and d refer to the classification of materials with regard to smoke and the formation of flaming droplets/particles, respectively:

  • Flooring: Cfl s2
  • Walls: C s2, d1
  • Ceiling: C s2, d0

De brandeisen met betrekking tot de materialen gebruikt voor kooivloeren, -wanden en -plafonds zijn in de nieuwe norm EN 81-20 herzien. Deze materialen dienen nu te voldoen aan strengere brandwerendheidseisen in overeenstemming met EN 13501-1. De minimale classificatie is als volgt, met C en Cfl verwijzen naar de classificatie ‘reactie op vuur’ en s en d verwijzen naar de classificatie van materialen wat betreft de ontwikkeling van rook en vorming van brandende druppels of deeltjes, respectievelijk:

  • Vloer: Cfl s2
  • Wanden: C s2, d1
  • Plafond: C s2, d0

Sterkte van schacht- en kooideuren en kooiwanden

De norm EN 81-20:2014 bevat nieuwe eisen wat betreft de weerstand van zowel de schacht- en kooideuren als de kooiwanden. De deuren moeten nu worden voorzien van 'houders' die de deurpanelen op hun plek houden als de hoofdgeleiding niet naar behoren zou functioneren. De kooi- en schachtdeuren moeten ook voldoende sterk zijn om krachten op te vangen die gelijk zijn aan die van een persoon die op volle snelheid tegen de deur rent. De kooiwanden dienen bestand te zijn tegen de kracht van een persoon die tegen de kooiwanden duwt.

Afbeelding
Afbeelding

Kooi- en schachtverlichting

De norm EN 81-20:2014 stelt hogere eisen wat betreft de kooi- en schachtverlichting om zo de veiligheid en toegankelijkheid voor passagiers te verhogen. De kooiverlichting dient nu te voldoen aan een lichtsterkte van 100 lux in plaats van 50 lux, en de noodverlichting in de kooi dient 5 lux per uur te zijn in plaats van 1W per uur. Om de veiligheid van onderhoudstechniekers te verhogen, stelt de nieuwe eis dat de noodverlichting op het kooidak 5 lux per uur moet zijn. De nieuwe vereisten voor de schachtverlichting zijn als volgt:

  • Minimaal 50 lux op 1 meter boven het kooidak binnen zijn verticale projectie
  • Minimaal 50 lux op 1 meter boven de putvloer op plaatsen waar personen kunnen staan, werken en/of tussen werkzones kunnen bewegen
  • Minimaal 20 lux op alle overige gebieden, exclusief schaduwwerking door de cabine of onderdelen

Veiligheidsverbeteringen voor onderhoudstechniekers

Toegang tot de liftput en machinekamer, en locatie van het controlestation

De norm EN 81-20:2014 introduceert een aantal eisen die tot doel hebben de toegang tot de machinekamer en het werken in de put veiliger te maken voor onderhoudstechniekers. Voortaan gelden er voor toegangshulpmiddelen, zoals ladders, specifieke eisen met betrekking tot afmeting, weerstand en locatie. De toegang tot putten met een diepte van meer dan 2,5 m is nu onderworpen aan strengere eisen en een toegangsdeur kan verplicht worden gesteld.

De norm vereist ook dat er een controlestation in de put wordt geplaatst. Zo hoeven techniekers geen ladders of krukjes te gebruiken om de onderdelen onder de kooi te bereiken. Het controlestation moet zich in de buurt van de veiligheidsruimtes van de put bevinden. Er moet eveneens een resetfunctie buiten de schacht aanwezig zijn.

Afbeelding
Afbeelding

Toegangs- inspectie- en nooddeuren en veiligheidsscherm met tegengewicht

Volgens de norm EN 81-20:2014 zijn inspectieluiken niet meer toegestaan en moeten toegangs- of inspectiedeuren worden toegepast om een veilige en eenvoudige toegang voor techiekers te garanderen. De nieuwe vereisten zijn:

  • De toegangsdeuren tot de machinekamer en de schacht moeten een minimale hoogte van 2 m en een minimale breedte van 0,6 m hebben.
  • De toegangsdeuren tot de schijvenruimte moeten een minimale hoogte van 1,4 m en een minimale breedte van 0,6 m hebben.
  • Toegangsluiken voor techniekers naar de machinekamer en schijvenruimte moeten een vrije doorgang van minimaal 0,8 m x 0,8 m hebben en voorzien zijn van een tegengewicht.
  • Nooddeuren moeten een minimale hoogte van 1,8 m en een minimale breedte van 0,5 m hebben.
  • Inspectiedeuren mogen een maximale hoogte en breedte van 0,5 m hebben.

De nieuwe norm vereist ook dat het tegengewicht voorzien wordt van een vanginrichting wanneer er toegankelijke ruimtes onder de put aanwezig zijn - bijvoorbeeld wanneer de put zich boven een parkeergarage of een ondergrondse opslagruimte bevindt.

Veiligheidsruimtes op het kooidak en in de put

De volumes van de veiligheidsruimtes op het kooidak en in de put zijn aangepast. De nieuwe afmetingen voor de veiligheidsruimtes zijn:

  • Staand: 0,4 x 0,5 m (horizontale afmetingen), 2 m (hoogte)
  • Gehurkt: 0,5 x 0,7 m (horizontale afmetingen), 1 m (hoogte)
  • Liggend: 0,7 x 1,0 m (horizontale afmetingen), 0,5 m (hoogte). Dit geldt alleen voor de put.

De norm EN 81-20:2014 vereist nu dat de schachtdeur die toegang geeft tot de put vanuit de schacht te openen moet zijn, zodat de techniekers de liftschacht kunnen verlaten, zelfs als de betreffende schachtdeur gesloten zou zijn.

Afbeelding
Afbeelding

Balustrades op het kooidak

Vanaf nu dienen de balustrades op het kooidak te voldoen aan specifieke beladingseisen en nieuwe hoogtenormen. Door deze nieuwe eisen lopen techniekers minder risico om in de schacht te vallen terwijl ze op het dak van de kooi aan het werk zijn. De nieuwe vereisten zijn:

  • Bij een afstand tot 0,5 m tussen de binnenkant van de balustradeleuning en de schachtwand moet de balustrade een minimale hoogte van 0,7 m hebben.
  • Bij een afstand groter dan 0,5 m tussen de binnenkant van de balustradeleuning en de schachtwand moet de balustrade een minimale hoogte van 1,1 m hebben.

Horizontale randen in de liftschacht

Elke horizontale rand (balk) van een wand naar de schacht, of horizontale balk die meer dan 0,15 m breed is (waaronder scheidingsbalken), dient afgeschermd te worden zodat er geen personen op kunnen staan, behalve bij aanwezigheid van een balustrade op het kooidak die aan bovenstaande eisen voldoet. Deze uitzondering geldt niet voor randen rondom de put, bijvoorbeeld bij een gedeeltelijk afgesloten liftschacht.

Afbeelding

Veranderingen die invloed hebben op het gebouwontwerp

De norm EN 81-20:2014 introduceert een aantal wijzigingen aan de eisen waaraan het ontwerp van het gebouw dient te voldoen. Deze wijzigingen zijn van toepassing op de liftschacht en zijn als volgt:

  • Glas in de liftschacht moet altijd gelaagd glas zijn.
  • De ventilatie van de liftschacht is nu de verantwoordelijkheid van de ontwerper van het gebouw. De liftfabrikant moet alle noodzakelijke informatie leveren over bijv. de warmteuitstoot van de liftonderdelen. Deze aanpak maakt een energiezuinig ontwerp van het gebouw eenvoudiger, waarbij de ventilatie-eisen worden bepaald op basis van de meest energie-efficiënte oplossing, en tevens rekening wordt gehouden met de arbeidsomstandigheden van de techniekers die in de liftschacht werken en het comfort van de passagiers in de liftcabine.
  • De liftschacht mag een brandblusser bevatten. Activering van brandblussystemen (sprinklers) is alleen mogelijk wanneer de lift op een verdieping is gestopt en de hoofdschakelaars en de lichtstroomkring automatisch zijn uitgeschakeld door het brand- of rookmeldingssysteem.